Op 12 september 1944 werden elf Belgische verzetsstrijders en één onbekende verzetsheld door de Duitsers en hun handlangers gefusilleerd in het bosje bij Huize Sint Joseph in Heer, momenteel Cadier en Keer.

Deze laffe daad vond plaats enkele uren voordat deze regio door de Amerikanen bevrijd werd van het Nazi-geweld.

Sinds 1945 wordt deze trieste gebeurtenis jaarlijks herdacht op de 2e zondag van september.

Op 12 september 1948 is het monument onthuld.

Slachtoffers

Bovenste rij, vanaf links:

  • Peter Albert Jaeken, Neeroeteren, 26 jaar;
  • Guillaume Jozef Hubert Langers, Maaseik, 21 jaar;
  • Willem Conen, Molenbeersel, 25 jaar;
  • Jacques Teelen, Neeroeteren, 19 jaar.


Middelste rij, vanaf links:

  • Pierre Henri Jan Martin Driessens, Maaseik 19 jaar;
  • Jozef Eerdekens, Gruitrode, groeps-overste Geheim Leger, 22 jaar;
  • Jules Leopold August Wolfs, Maaseik, 21 jaar;
  • Mathieu Jan Jozef Lenders, Maaseik, 19 jaar.


Onderste rij, vanaf links:

  • Alfons Leroy, adjunct sector-overste Geheim Leger, Neeroeteren 31 jaar;
  • Gustaaf Beazar, kapitein-commandant, Zone-overste Maaseik-Neerpelt Geheim Leger, Kessenich, 36 jaar;
  • Jan Martin August Wolfs, Maaseik, 21 jaar.

 

De Belgische weerstand werd reeds in 1940 geformeerd. Later zou dit het Geheim Leger genoemd worden. België werd opgedeeld in drie, later in vijf zones. De zone Limburg bestond eind 1941 uit zeven sectoren: Hasselt, Neerpelt, Maaseik, Leopoldsburg, Waterschei, Sint Truiden en Borgloon. Rekem en Bilzen werden in 1942 toegevoegd. De sector Maaseik stond vanaf het begin onder leiding van de wachtmeester van de Rijkswacht Gustaaf Beazar (de eerste naam op de lijst van de gefusilleerden in Heer).

Op 3 september 1944 kreeg de leider van de sector Limburg, sergeant Antoine Lambrechts, opdracht zijn weerstandskern metterdaad in te zetten. De leden van de sector Maaseik verscholen zich in de bossen van Rotem. Op 10 september overvielen de Duitsers het schuiloord in Rotem. Het werd voor veel Belgen dramatisch. Veel verzetslieden sneuvelden of werden gevangen genomen. Een aantal gevangenen werd naar As gebracht en vervolgens via Rekem en Lanaken in vrachtwagens vervoerd tot bij Maastricht. Vandaar trok men te voet verder naar Heer en daar werden de gevangenen op 11 september in de kelder van een woning aan de Akersteenweg opgesloten, zesentwintig in getal. De volgende dag werden twaalf mensen uit de kelder gehaald en in de avond zonder enig proces gefusilleerd. De gefusilleerden waren elf Belgsiche verzetsstrijders en één onbekende. De naam en nationaliteit van deze onbekende zijn, ondanks naspeuringen, nog steeds onbekend. Vermoedelijk betrof het een inwoner uit Rusland of Polen.

Op 20 september werden de doden onder leiding van de burgemeester Kessen van Heer geïdentificeerd, waarna zij voorlopig werden begraven op het kerkhof van Huize Sint Joseph. In een gemeenschappelijk graf werden zij in drie lagen begraven, gescheiden door een aantal takken, afkomstig uit het bosje. Later werden de lichamen naar hun woonplaats overgebracht. In het twee dagen later door de burgemeester opgemaakt proces-verbaal van de begrafenis van de twaalf lichamen vinden we van elke terechtgestelde ook een beschrijving van de kleding en van de op hun aangetroffen voorwerpen, zoals foto’s, sleutels, medicijnen, tabakswaren, beurzen, horloges, kettingen en zelfs een roman met de titel “Moeders Schuld”.

Tijdens de fusillade zaten diverse inwoners van Heer en Cadier en Keer verscholen in de grotten achter de boerderij van Huize Sint Joseph, onder hen ook Bennie Essers en zijn zwager Colla Bisscheroux uit Cadier en Keer. Toen de Duitse vrachtwagens naderden, vluchtten de mannen in allerlei holen en spelonken in de directe omgeving. Nadat de wagens vertrokken waren, wilde de zwager van Bennie Essers naar zijn vrouw en kinderen in het dorp en werd zo getuige van hetgeen kort tevoren plaatsgevonden had. Hij waarschuwde Bennie mee te komen en te zwijgen tegenover de andere ondergedokenen om geen paniek te veroorzaken. Tijdens een interview door de Historische Kring Cadier en Keer, tientallen jaren later, wilde Bennie niet ingaan op hetgeen hij gezien had. Hij volstond met één woord: beestachtig!

 

 

Burgemeester Kessen uit Heer nam in 1945 het initiatief om jaarlijks op of rond 12 september een herdenkingsplechtigheid te houden op de plek waar de twaalf terechtgesteld waren. Gedurende de periode 1945-1947 werd de fusilladeplaats gemarkeerd door een houten kruis. In 1946 werden, door enkele Belgische inwoners van de toenmalige gemeente Heer, initiatieven genomen om een comité in het leven te roepen dat een waardig monument voor deze verzetshelden moest oprichten.Het comité bestond uit de volgende personen: voorzitter J. Ramaekers, secretaris-penningmeester J. Vrijens en leden L. Meesters, J. Geijs en A. Gijsen. Het verwerven van voldoende financiële middelen was in die tijd niet gemakkelijk. Met steun van het gemeentebestuur van Heer, diverse verenigingen, ondernemers en particulieren werd ongeveer 2.500 gulden bijeen gesprokkeld. Beeldhouwer J. Weerts uit Maastricht kreeg opdracht een stijlvol en passend monument te ontwerpen. Vier jaar na de zeldzaam gemene fusillade, de terechtstelling van twaalf verzetsstrijders, zonder enig proces, werd op 12 september 1948 het monument onthuld.

Monument

De plechtigheid in het openluchttheater van Huize Sint Joseph begon met een heilige mis. Voorganger was de deken van Maaseik. Aanwezig waren onder andere de gouverneurs van Belgisch en Nederlands Limburg, de heren Verwilghen en Houben, de burgemeesters van Heer en Maastricht en de burgemeesters van de Belgische gemeenten waaruit de gefusilleerden afkomstig waren; verder een aantal vertegenwoordigers van de weerstand (verzet) in België en het verzet in Nederland.

De herdenking is een jaarlijks terugkerende plechtigheid op de tweede zondag van september. Een hoogtepunt in de geschiedenis van het monument was het bezoek van koning Boudewijn, koningin Juliana en prins Bernartd aan het monument op 11 juli 1959.